Ik vind...10-08-2015

´Transitie als traditie´

Voor alle duidelijkheid: ik vind ´transitie´ een verschrikkelijk woord. Dit hoort thuis in het dikdoenerige vocabulaire van ambtenaren en architecten die het ook hebben over ´de urbane ruimte´ indien ze gewoon de stad bedoelen en koffie drinken bij de buren omschrijven als ´sociale cohesie´.
De uitdrukking ´transitie als traditie´ hoor ik regelmatig opduiken als gesproken wordt over de voormalige Limburgse mijnstreek. Nu is dat dan eigenlijk tóch raak geformuleerd. Als er één regio in Nederland is, die permanent in veel opzichten aan transitie, verandering onderhevig is, dan is het deze wel. Vooral dank zij de snelle opkomst en nog snellere teloorgang van de mijnindustrie.
Letterlijk onder de rook van Staatsmijn Maurits in Geleen, daar groeide ik op. Een van mijn vroegste herinneringen is dat ik rond 1960 aan de hand van mijn moeder over een weiland wandelde, waar op dat moment een fancy fair plaatsvond. De opbrengst was bestemd voor de bouw van een kerk. Die kwam er ook. Op dat grasveld, een paar jaar later. Imposant, strak gelijnd, veel glas, met een vrijstaande, betonnen klokkentoren.
Een paar weken geleden nam ik er na veel jaren weer eens een kijkje. De kerk is verdwenen en maakte plaats voor een wooncomplex. De toren staat er nog. Als herinnering. Mij doet deze vooral terugdenken aan saaie zondagse bijeenkomsten. Spannend werd het nog even toen eind jaren zestig de ´beatmis´ werd ingevoerd. Een wanhopige poging om de jeugd voor de kerk te behouden. Wow! Geen galmende orgelklanken, maar elektrische gitaren en een drumstel. En jongerenkoren met beloftevolle namen als ´Sound of Youth´ en ´Song of Joy´. Het mocht allemaal niet meer baten. Eeuwenlange bangmakerij en het vermanende vingertje hadden hun werk gedaan en de mijnsluitingen deden de rest. Nieuwe kerken werden binnen enkele decennia nutteloze gebouwen.
Neen, voor de eeuwigheid werd niet gebouwd rond de mijnzetels in Limburg.
Verstoppertje spelen deden mijn vriendjes en ik regelmatig in een paar honderd jaar oude, vervallen boerderij. Die werd na heel wat protesten gesloopt en vervangen door een overdekt zwembad. Ik sta voor die plek. Ook het zwembad is alweer lang geleden afgebroken. Nu staan er appartementen. Weg is ook het grote, moderne schoolgebouw daarachter. Volgens mij was het voegwerk nog nat, toen het pand met de grond gelijk werd gemaakt.
De autoritair oprijzende, pikzwarte mijnsteenberg van de Maurits, waar ik altijd tegenaan keek op weg van school naar huis, is opgeruimd. Dwars door het mijnterrein liep een openbare weg, richting Stein. (Je kwam dan uit bij een grote, monumentale woonwijk met prachtige bomen. Volledig verdwenen. Het is nu fabrieksterrein.) Rechts van de doorgaande straat stonden de grote koeltorens waarvan me het spetterend en ruisend watergekletter bijstaat. Links rees de hoge muur op waarachter het rokende en walmende mijnbedrijf 24 uur per dag in actie was. Die weg is weg. Nu sta ik voor een hek met daarachter chemische installaties. Hooggeplaatste camera´s kijken me dreigend aan.
Het lot bracht me in 1981 naar mijn huidige woonplaats Heerlen. Vanuit de trein zag ik op de steenberg van de voormalige mijn Oranje Nassau I een nieuwe wijk in aanbouw. Het mijnterrein zelf was ingevuld met een gigantisch kantoorpand. Ik stapte uit op het perron van een charmant, bijna nostalgisch stationsgebouw. Dat verdween een paar jaar later en werd vervangen door een eigentijdse passagiersterminal. Ja, inderdaad: die is ook weer weggevaagd. Momenteel is er het ´Maankwartier´ in aanbouw, dat qua sfeer in de verte doet denken aan het betreurde witte hoofdkantoor van DSM, ´De Boerderij´. Op die plek - midden in de stad - staat nu een ´shoppingcentre´.
Een oud-Heerlenaar die dertig jaar geleden emigreerde en recent eens zijn geboortestad bezocht vertelde me verbijsterd: “Ik moest aan een voorbijganger de weg vragen!”

© Maarten Brorens